Eikentrilzwam (Exidia truncata)
Eikentrilzwam FazantenlaanEikentrilzwam zijaanzicht
De eikentrilzwam is een zeer algemene, maximaal 4 tot 6 centimeter grote, paddenstoel die groeit op dode, nog niet ontschorste takken van eiken. In zeldzame gevallen kan hij ook verschijnen op takken van andere loofbomen, zoals beuk, haagbeuk, hazelaar en es (5). In Midden Europa komt hij in beukenbossen veel voor (14). De paddenstoel veroorzaakt witrot in het hout (1) en breekt vooral de lignine af (18). Zijn oppervlak is helemaal zwart, mat of glanzend en met klierwratjes bezet. De vruchtlichamen kunnen gedurende het hele jaar worden aangetroffen, maar zijn het meest frequent in het seizoen met lage temperaturen (late herfst, winter, begin van het voorjaar). Na een korte periode van bevriezing (10), en ook na uitdroging en heropname van vocht (13) gaan ze door met het afgeven van sporen. Volgens een Amerikaans artikel kunnen ze gedurende een periode van drie maanden 6500 sporen per uur per vierkante centimeter produceren (16). Bij droog weer verschrompelen ze tot een zwartachtige korst op het hout en zijn dan moeilijk te herkennen (2,6,7,15,17). De aantasting door de schimmel vindt normaliter plaats via de bast, wat kan verklaren dat zijn vruchtlichamen vooral op niet-ontschorste takken verschijnen (4). Volgens een Brits artikel is het mycelium van de eikentrilzwam één van de veroorzakers van het zwakker-worden en uiteindelijk afbreken van afgestorven takken aan een levende boom (3). In een Deens onderzoek verschenen de vruchtlichamen van de paddenstoel vooral in de eerste vijf jaar na het afsterven van een tak (12). Op grond van de anatomie van het hymenium, de vorm en het kiemingspatroon van de sporen, en de ontwikkeling van de conidiën lijkt de eikentrilzwam nauwer verwant te zijn met de judasoren (Auricularia species) dan met de gele trilzwam (Tremella mesenterica) (9,11).

Naam

Exidia glandulosa is volgens de meeste mycologen een synoniem van Exidia truncata (5). De genusnaam Exidia schijnt "uitzweting" of "vlekking" te betekenen, dit heeft betrekking op de aanblik van de vruchtlichamen op een tak (6). De soortnaam glandulosa betekent "klierachtig" of "klierdragend", truncata is "afgehakt" of "afgeknot". De paddenstoel kan worden verward met de zwarte knoopzwam (Bulgaria inquinans) maar die heeft een donkerbruine (geen zwarte) buitenkant. Bovendien heeft de zwarte knoopzwam zwarte en de eikentrilzwam witte sporen (17). Ook is verwarring mogelijk met de zwarte trilzwam (Exidia plana of Exidia nigricans) maar bij deze soort ontbreken de wratjes (1). De naam "trilzwam" is ontleend aan de gelei- of rubber-achtige consistentie van de vruchtlichamen. In Engeland staat de paddenstoel bekend als "Witches' Butter" maar in Nederland is heksenboter een totaal andere soort. Wie meende dat hij behekst was, moest volgens het volksgeloof in Wales met een gloeiende draadnagel in het vruchtlichaam van de paddenstoel prikken. Daardoor zou de betovering worden verbroken (8). Ook kon men voor dit doel het hele vruchtlichaam in het vuur werpen. 't Is maar dat u het weet...

Eetbaarheid/nut

Eikentrilzwammen worden in Europa niet beschouwd als eetbare paddenstoelen (6,7), hoewel ze in de Verenigde Staten als eetbaar te boek staan (15).

Waar gevonden

Wij hebben vruchtlichamen van de eikentrilzwam aangetroffen op een afgewaaide tak van een zomereik in de oostberm van de Fazantenlaan.

Literatuur


1. Abgestutzter Drüsling Exidia truncata. Webdocument op tintling.com.
2. Balestren S (2014) Exidia glandulosa. Webdocument op www.appuntidimicologia.com.
3. Boddy L, Rayner ADM (1982) Ecological roles of Basidiomycetes forming decay communities in attached oak branches. New Phytol 93:77-88.
4. Boddy L, Rayner ADM (1984) Internal spread of fungi inoculated into attached oak branches. New Phytol 98:155-164.
5. Eikentrilzwam. Webdocument op nl.wikipedia.org.
6. Exidia glandulosa (Bull.) Fr. - Witches' Butter. Webdocument op www.first-nature.com.
7. Exidie glanduleuse. Webdocument op mycorance.free.fr/valchamp.
8. Gruffydd E (1985) Witches' Butter in Wales. Bulletin of the British Mycological Society 19:63-64.
9. Ingold CT (1982) Basidiospore germination and conidium formation in Exidia glandulosa and Tremella mesenterica. Trans Br mycol Soc 79:370-373.
10. Ingold CT (1982) Resistance of certain Basidiomycetes to freezing. Trans Br mycol Soc 79:554-556.
11. Keller J (1992) Ultrastructure de la paroi sporique des Heterobasidiomycetes I. Persoonia 14:377-387.
12. Lange M (1992) Sequence of macromycetes on decaying beech logs. Persoonia 14:449-456.
13. Mauget T (2011) Exidia truncata Fr.:Fr. Webdocument op www.mycocharentes.fr.
14. Mihál I (2012) Species diversity, abundance and dominance of macromycetes in beech forest stands with different intensity of shelterwood cutting interventions. Folia Oecologica 39:53-62.
15. Rockefeller A a.o. Exidia glandulosa. Webdocument op en.wikipedia.org.
16. Rockett TR, Kramer CL (1974) The biology of sporulation of selected Tremellales. Mycologia 66:926-941.
17. Stoppeliger Drüsling. Webdocument op de.wikipedia.org.
18. Worrall JJ, Anagnost SE, Zabel RA (1997) Comparison of wood decay among diverse lignicolous fungi. Mycologia 89:199-219.

Terug naar de soortenlijst