Knolhoningzwam (Armillaria lutea)

Knolhoningzwammen bij de TanderijKnolhoningzwam zijaanzichtKnolhoningzwam onderaanzicht

De knolhoningzwam wordt - in tegenstelling tot de gewone honingzwam (Armillaria mellea) - niet beschouwd als een parasiet maar als een saprofiet die leeft van dood plantaardig materiaal. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat hij toch levende aardbeiplanten (6) en struikjes van de blauwe bosbes (14) kan aantasten. In het zuiden van Europa komt de zwam vooral voor in de maquis (bij struikachtige eiken) en in beukenbossen (8). Kenmerkend voor deze paddenstoelsoort (in vergelijking met andere honingzwammen) is het feit dat de onderkant van de steel tot een knol is verdikt en dat de ring die bij jonge exemplaren om de steel aanwezig is spoedig verdwijnt (1,2).
 
In 1992 werd met behulp van DNA onderzoek aangetoond dat Armillaria lutea vermoedelijk het grootste en oudste levende organisme ter wereld is. En enkel mycelium in de staat Michigan bleek een oppervlak te beslaan van meer dan 15 hectare, meer dan 10.000 kilo te wegen en meer dan 1500 jaar oud te zijn (15). Ook in Itali is een groot mycelium aangetroffen, met een oppervlak van 2.6 ha, een diameter van 300 meter en een ouderdom van 300 jaar (4). In latere artikelen wordt beweerd dat mycelia van een verwante soort, de sombere honingzwam (Armillaria ostoyae) in Oregon zelfs nog grotere afmetingen kunnen hebben (3,11,16). Misschien strekt ns mycelium zich wel uit van Zuidhorn tot Zaventem (er gaat immers niets boven Groningen!), maar vooralsnog hebben we daarvoor geen enkel bewijs. Discussie is mogelijk over de technieken die men heeft gebruikt om genetische verwantschap aan te tonen (7).
 
Honingzwammen vormen taaie myceliumstrengen die er als wortels uitzien en rhizomorfen worden genoemd; daarmee breiden ze zich uit over het hout van de gastheer en in de bodem. Via het netwerk van rhizomorfen kunnen verschillende delen van het organisme over grote afstanden gassen en voedingsstoffen uitwisselen (10). Rhizomorfen van de knolhoningzwam en de gewone honingzwam vertonen bioluminescentie. Ze verspreiden een bleekwit of groenachtig licht dat in het donker duidelijk zichtbaar is. Dit verschijnsel berust - net als bij vuurvliegjes - op de werking van het enzym luciferase. De sterkte van het licht is niet constant, maar fluctueert in de loop van de tijd. Bij beschadiging neemt de lichtsterkte toe. De onderliggende oorzaak van de fluctuaties in de natuur blijft echter onduidelijk. Sommige mycelia vertonen snelle fluctuaties, andere niet (12,13).
 
Naam
 
Armillaria gallica en Armillaria bulbosa zijn synoniemen van Armillaria lutea (2,9). Bulbosa betekent "met knol", gallica "Frans" en lutea "geel". Armillaria betekent "met armband" (2). In het geval van de knolhoningzwam is deze naam niet erg van toepassing want bij de volgroeide paddenstoel is de spinnenwebachtige ring om de steel onopvallend. Hij schrompelt snel ineen tot een klein streepje (op de middelste foto te zien).
 
Eetbaarheid/nut
 
In gekookte toestand zijn knolhoningzwammen eetbaar, maar niet erg lekker, en ook worden ze niet door iedereen even goed verdragen (2). De paddenstoel bevat bijzondere plantenstoffen die als antibiotica en cytostatica werkzaam zijn, en waarvan de structuur en de biosynthese is onderzocht (5).
 
Waar gevonden
 
We hebben knolhoningzwammen aangetroffen aan het Van Starkenborghkanaal ZZ (tussen de Westergast en de Rijksstraatweg).
 
Literatuur
 
1. Armillaria gallica. Webdocument op en.wikipedia.org.
2. Armillaria gallica Marxm. & Romagn. - Bulbous Honey Fungus. Webdocument op www.first-nature.com.
3. Casselman A (2007) Strange but true: The largest organism on earth is a fungus. Scientific American, Oct 4.
4. De Gioia T, Ubaldo R, Sicoli G, Luisi N (2003) Occurrence and distribution of Armillaria gallica genets in a declining oak stand of Southern Italy. Phytopathol Mediterr 42:199-204.
5. Engels B (2013) Untersuchungen zur Biosynthese sesquiterpenoider Naturstoffe, der Melleolide, in Armillaria gallica. PhD thesis, RWTH Aachen University, Aachen, Germany.
6. Fox RTV, Popoola TOS (1990) Induction of fertile basidiocarps in Armillaria bulbosa. Mycologist 4:70-72.
7. Gatto A, Sicoli G, Luisi N (2009) Genetic diversity within an Italian population of forest Armillaria gallica isolates as assessed by RAPD-PCR analysis. J Phytopathol 157:94-100.
8. Intini MG (1997) Armillaria cepistipes and A.gallica (Agaricales, Tricholomataceae) in Italy. Bocconea 5:861-866.
9. Kile GA, Watling R (1985) Armillaria bulbosa. Trans Br myc Soc 84:173.
10. Lamour A, Termorshuizen AJ, Volker D, Jeger MJ (2007) Network formation by rhizomorphs of Armillaria lutea in natural soil: their description and ecological significance. FEMS Microbiol Ecol 62:222–232.
11. Maheshwari R (2005) The largest and oldest living organism. Resonance (april issue):4-9.
12. Mihail JD (2013) Comparative bioluminescence dynamics among multiple Armillaria gallica, A.mellea and A.tabescens genets. Fungal Biology 117:202-210.
13. Mihail JD, Bruhn JN (2007) Dynamics of bioluminescence by Armillaria gallica, A.mellea and A.tabescens. Mycologia 99:341-350.
14. Prodorutti D, Palmieri L, Gobbin D, Pertot I (2006) First report of Armillaria gallica on highbush blueberry (Vaccinium corymbosum) in Italy. Plant Pathology 55:583.
15. Smith ML, Bruhn JN, Anderson JB (1992) The fungus Armillaria bulbosa is among the largest and oldest living organisms. Nature 356:428-431.
16. Volk T (2002) The humongous fungus - ten years later. Inoculum 53(2):4-8.

Terug naar de soortenlijst